Onder leiding van nieuwe teamleider Joost Hadida, die deze enerverende taak van schrijver dezes heeft overgenomen, toog een jeugdig viertal – uw scribent is zeer jong van geest – om zeven uur ’s avonds voor een avontuurlijke reis naar het in verre oorden gelegen Muiderberg. Aldaar diende te worden aangetreden tegen de koploper in de eerste klasse A van de SGS-viertallencompetitie. Naast de teamleider en schrijver waren jongelingen Sacha Vucinec en de kersverse jeugdoploskampioen onzer vereniging, Just Ripken, aanwezig.
Dat de teamleider zijn taak serieus nam, bleek vanaf het vertrek bij De Inham. Op een zeer spectaculaire wijze laveerde hij door het verkeer op de A1 (nee, niet het torenveld) om ons meer dan een half uur te vroeg bij het honk des tegenstanders af te leveren. Aldaar kwamen wij erachter dat wij niet Aan de slag konden, ondanks de oproep daartoe van het nieuw te vormen kabinet eerder op de dag, maar dat er eerst aan de conditie gewerkt diende te worden. Wij kregen de opdracht enkele malen rond het gebouw te rennen, alvorens ons toegang werd verleend.
Eenmaal binnen konden wij ons ontrukken aan de knoet der TL en onbevangen onze werkzaamheden aanvatten. Het moet gezegd dat teamleider Joost daarbij zelf het goede voorbeeld gaf door een beginnersfout van zijn tegenstander simpel af te straffen: 1.e4 d6 2.f4 g6 3.Pf3 Lg7 4.Lb5+? Ld7 5.Lc4 Lg4? 6.Lxf7+! De pionwinst werd snel verhoogd naar stukwinst en toen was het een kwestie van uitschuiven (0 – 1). Wim Velker (ik dus) had ondertussen een winnende positie bereikt door met jeugdig elan de vijandelijke stelling stuk te offeren. Aleer evenwel het punt gescoord werd was daar Just die de 0 – 2 liet aantekenen. Na de doorschuifvariant van de Caro-Kann kreeg de stelling de kenmerken van de Franse doorschuifvariant echter zonder de slechte witvelderige loper voor zwart, die vaak dit soort stellingen kenmerkt. Nu, zonder deze loper, had Just een licht voordelige stelling die hij fraai naar winst leidde, waarna uw dienaar de stand opvoerde naar 0 – 3.
Sacha was de enige van ons kwartet die het moeilijk had. In de opening had hij, met wit spelend, een pionnetje meegepikt maar dat leverde hem een onontwikkelde damevleugel op. Telkens dreigden de vijandelijke torens binnen te vallen, maar met veel kunst en vliegwerk wist Sacha dat een tijd lang te voorkomen. In de tijdnoodfase leek het echter mis te gaan. Zwart won de kwaliteit maar verblunderde daarna een aantal pionnen. Van de veelheid meerpionnen die Sacha daardoor verkreeg, bereikte er één de overkant en hoewel de zwartspeler nog inventief probeerde pat te bereiken met een dolle toren, ontweek onze man die poging behendig. 0 – 4 en de eerste plaats in onze klasse, met een wedstrijd minder gespeeld. Hoewel de beer nog niet is geschoten, daagt er toch een kampioenschap.
Het was al na half twaalf (Sacha’s partij had 3½ uur geduurd) toen wij met een vrolijk gemoed de terugreis aanvaardden. Wie meende dat het een gezapig maar vreugdevol ritje zou worden, kwam bedrogen uit. Via enkele verkeersovertredingen, waaronder het negeren van een éénrichtingsbord, reden wij een weg in waar de politie al met zwaailicht stond te wachten. Wij – dat wil zeggen: onze chauffeur – raceten er voorbij, bemerkten toen dat we verkeerd waren gereden, keerden, raceten weer voorbij de verbaasde tuten, en gingen via een snel genomen scherpe bocht de snelweg op.
“Waar is mijn tas”, klonk het plotseling vanachter het stuur. “Heb ik mijn tas wel meegenomen” en “Hebben jullie gezien of ik mijn tas bij me had”. De Tas. Dikke paniek. In de tas zaten allemaal ‘hartstikke belangrijke’ spullen. Dus? Dus stoppen midden op de snelweg – het is tenslotte een avontuurlijke rit – en in de achterbak kijken. Niets! Terug dan maar. Keren en tegen het verkeer in? Hm. Achteruit rijden? Hm. Gewoon via de normale weg? Ja, maar dan extra snel. Opnieuw langs de zwaailichten – deze keer zwaaiden we vriendelijk terug. Bij het clublokaal bleken de schakers aan het bier te zitten. Ze hadden de tas gevonden en er al in gekeken. Tsja, Hadida, toch niet echt een Hollandse naam dus je kon niet weten. En op het bord had hij immers ook al bommetjes gelegd!
Eindelijk echt op de terugweg. Langs de agenten weer; deze keer lange neuzen en uitgestoken tongen want Jongens waren wij, maar aardige jongens. Zonder verder oponthoud bereikten we in 15 minuten De Inham. Het was een geweldig avontuur en in jaren niet zo’n leuk team meegemaakt.