Marco Dieleman

Ik wil iets voor anderen betekenen

Interview met Marco Dieleman in 2010

 

Te laat
Wanneer ik iets te laat op onze afspraak kom, verontschuldig ik me met:
‘Sorry, het weer,  sneeuw, file overmacht…’ Hij moet lachen. ‘-Je hebt het zeker al gehoord’, zegt hij. 

’Wat?’, zeg ik quasi verbaasd. ‘Van eergisteren in Buren. Drie leden van ons eerste team kwamen door de files drie kwartier nadat de klokken waren ingedrukt en dus waren ze reglementair enkele minuten over tijd. En ondanks allerlei telefoontjes werden we smalend door de tegenstander  begroet met de woorden: ‘Te laat…’. Of ze blij waren om zonder schaken te winnen want nu konden ze een reglementaire winst claimen van 8-0. Of overmacht niet bestaat. Ik was woedend en toen er eentje begon te sarren,  heb ik hem bijna op zijn muil geslagen, zo boos was ik.

Waarom? Omdat het tegen alles is wat ik belangrijk vind. Schaken doe je voor je plezier, zeker op ons niveau. Dat is ook de reden dat ik bij Hoogland schaak. Er zitten goeie mensen, ik kan iets voor anderen betekenen –en dat vind ik belangrijk in het leven- het is een gezellige vereniging met een grote jeugdafdeling. Ik vind het leuk om met anderen te analyseren en anderen een stukje verder te helpen met schaaklessen. Vroeger was schaken belangrijk voor me maar dat is nu veel minder. Ik heb een gezin –trots toont hij zijn jongste zoon die enkele weken voor ons gesprek geboren is-  en een drukke baan. Schaken is een hobby. Je moet er plezier aan beleven. Ik vond het fantastisch hoeveel berichten ik gekregen heb van clubgenoten bij de geboorte van onze zoon.’

Talent
Ik ben geboren in Terneuzen, Zeeuws-Vlaanderen, op 16 januari 1975. Ja, Zeeuws-Vlamingen zijn een apart volkje. Eilanders. Als we ergens naar toe gingen, moesten we altijd met de pont of de pont naar Vlissingen, of de pont van Kruiningen naar Perkpolder en je moest altijd rekening houden met de tijd, vanwege de laatste pont terug. Het ware hele ondernemingen die reizen naar het vaste land. Je raakt er wel aan gewend. 
Ik was 4 jaar en zag mijn vader schaken met mijn oudere broertje. Ik keek naar de partij en zei: ‘Nou wil ik’. ‘Je moet eerst de spelregels leren’, zei mijn vader. Maar die kende ik al. Had ik mijzelf al kijkend geleerd.
Ik was 5 jaar en mijn broer mocht naar een schaaktoernooi in Sluiskil. ‘Ik wil ook meedoen’, zei ik. ‘Je bent te jong’, zeiden mijn vader en moeder maar na lang zeuren mocht ik toch mee en nog mooier: ik mocht ook meedoen aan de wedstrijd, in de jongste categorie natuurlijk.
Mijn allereerste wedstrijd verloor ik toen. Daarna won ik 6 wedstrijden op een rij en werd ik kampioen. Dat was me wat.

Jeugdkampioen van Zeeland
Op school werd er regelmatig geschaakt. Mijn vader gaf er schaakles en daar profiteerde ik natuurlijk ook van. Ook ging ik naar een schaakclub. Ik haalde het Koningsdiploma op 6 jarige leeftijd, voordat ik kon lezen en schrijven en schaakte dikwijls met mijn broer en mijn neefjes. Op 11-jarige leeftijd werd ik jeugdkampioen van Zeeland. Dat was leuk want het betekende dat ik opgenomen werd in de Nederlandse jeugdselectie.
Daar kreeg ik les van Cor van Wijgerden. Mooie tijd. We leerden veel. Ik schaakte o.a. met en tegen Harmen Jonkman  en Loek van Wely, hoewel Loek toen al uitzonderlijk goed was.
Ik was – en ben het nog steeds-  heel goed in doorgeefschaak. Iedereen wilde wel met mij spelen. (ook Loek van Wely!) Ik ben zelfs tweede van Nederland in doorscheefschaak geworden en heb o.a. van wereldkampioen Kazamdjanov gewonnen. Maar dat terzijde.

Niet op zondag
Een  groot probleem bij de jeugdselectie was dat  de activiteiten vaak ook op zondag plaats vonden. Vooral de toernooitjes in binnen- en buitenland.  Wij zijn gelovig en vinden dat de zondag de dag des Heren is. Daarom deed ik niet aan die toernooitjes mee en dan raak je toch spoedig achter bij de anderen.
Daarbij kwam dat ik ging  studeren, bij het CIOS, ik wilde  sportinstructeur worden (toen al bedacht om in de zorg te gaan werken en iets voor anderen te kunnen betekenen) en als je studeert  heb je ook minder tijd om te schaken. 
Toen kwam er zelfs een periode dat ik helemaal niet meer schaakte. Zo tussen mijn 18e en 22e levensjaar.
Maar schaken verleer je niet. Ook niet als het lange tijd niet gedaan hebt.
Ik woonde in Deventer en ging een weekend naar huis. Mijn vader zei: ‘Dit weekend zijn de snelschaakkampioenschappen van Zeeland, heb je zin om mee te doen?’ Waarom niet, bedacht ik en tot mijn grote verassing werd ik snelschaakkampioen van Zeeland zonder dat ik er iets voor had gedaan. En toen kreeg ik de lol van het schaken weer terug. Van het spelen, niet van het studeren. Eindeloos openingen en allerlei varianten bestuderen, dat is verleden tijd.
Ook hierin heeft mijn schaakmeester een belangrijke rol gespeeld.

Het Dielemansysteem. e2-e4; Pf3-De7!
Ik ben een afwachtende schaker. Ik houd ervan om vanuit een stevige verdediging af te wachten, langzamerhand de goeie posities voor mijn stukken in te nemen en dan de tegenstanders steeds sterker in een wurggreep te nemen . Dit in tegenstelling tot mijn wat opvliegende, rusteloze karakter.
Ik wil schaken en wel zo snel mogelijk in de partij. Vandaar dat ik op de 2e zet een niet voordehandliggende zet speel. (met zwart) De7.
Dat komt zo: 
Ik speelde in Zeeland een toernooi en in de laatste partij moest ik tegen mijn leermeester spelen. Het ging er om, hij of ik zou het toernooi winnen. Ik bereidde me intensief op hem voor en wist eigenlijk al hoe ik in allerlei varianten zou gaan winnen. Maar in de partij speelde hij, zeer onverwacht 2….De7!
Het ontregelde mij flink. Al mijn voorbereidingstijd voor niets. Ik wist niet hoe ik het aan moest pakken, speelde wel maar bood spoedig remise aan. Een mooie les. Het gaat om schaken.
En tegenwoordig speel ik dit graag. Ook in de partij Hoogland tegen Dieleman.  De zet is niet helemaal correct maar laat de tegenstander het maar bewijzen. Je wordt gedwongen om vanaf de 2e zet te schaken en… zwart heeft goede kansen. Wit is meestal wat overmoedig, zwart manoeuvreert rustig naar de goede velden en daarna…

Wat valt er nog meer te vertellen?

Ik ben psychomotorisch therapeut. Werk met mensen met een verstandelijke beperking en richt me de laatste tijd voornamelijk op het kader, de werkers in het veld. Dit door middel van training en coaching. Om zo de kwaliteit van bejegening en omgang met o.a. agressie te verbeteren. Als ik iets voor deze mensen kan betekenen dan is dat belangrijk voor me.

 

Een andere passie is: postzegels verzamelen, beter: opdrukken op postzegels, een duidelijke specialiteit. Daar kan ik uren mee zoet zijn. Soms koop ik partijen op en dan verkoop ik weer wat niet wil hebben. Van de winst kan ik mijn hobby bekostigen. Lezen doe ik niet veel en gedichten al helemaal niet. Zoek jij er maar een uit.

En zo vloog de avond om. Een vlotte, gezellige prater, dol op zijn jongste zoon en daarom heb ik voor Marco en voor zijn zoon een  mooi gedicht uitgezocht. ‘Alles mag je worden’.

En toen ik door sneeuw naar huis reed, dacht ik: Ik ga studeren, op het Dielemansysteem. Als ik een keer tegen Marco loot voor de interne competitie, zal ik hem een poepie laten ruiken. Wie weet…wie weet…

Pieter Quelle

Alles mag je worden

Het springzaad knapt, de brempeulen
knallen open en jij ligt er in je wieg
als een popelend boontje bij.

Alles mag je worden van mij: zeeman,
boswachter, archeoloog. Of –
als je leven ingewikkelder loopt –

gesponsord ontdekker van aangroei
werende stoffen voor scheepsverf,
alleenstaand paddestoelenfotograaf,

pacht- en beestenlijstenonderzoeker
van verdwenen Drentse keuterijen…
Behalve ongelukkig. Beloofd?

Erik Mengveld